Meteen naar de content

‘Projectontwikkelaars hebben een andere agenda’

Huurpeil Wethouder Hein de Haan van wonen in Leeuwarden ziet hoe het kan wringen bij de aanpak van de wooncrisis. Het Rijk wil regie en 30 procent sociale huur, de gemeente zit vast aan al bestaande plannen. ‘Afspraken die je hebt gemaakt met corporaties en ontwikkelaars kun je niet achteraf eenzijdig veranderen, dat kost tijd.’
Wethouder wonen Hein de Haan van Leeuwarden

Net als bij de laatste landelijke verkiezingen is wonen een van de belangrijkste thema’s bij de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart. Gemeenten moeten genoeg sociale huurwoningen bouwen en meer regionaal gaan samenwerken, maar soms schuren de belangen tussen de lokale overheden en het Rijk. In aanloop naar de verkiezingen spraken we met Hein de Haan. Hij is wethouder Wonen in Leeuwarden, woordvoerder wonen in de commissie Ruimte, Mobiliteit en Wonen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

U bent nu precies zeven jaar wethouder wonen in Leeuwarden. Wat heeft u de afgelopen jaren verbeterd op het gebied van wonen?

‘Leeuwarden is van oudsher de hoofdstad van Friesland, en een belangrijke economische factor binnen de provincie. We hebben veel banen, maar ook veel armoede. En we hebben hier van oudsher veel corporatiebezit. De afgelopen decennia is er te weinig aandacht besteed aan het bijbouwen van sociale huur. Er is vooral in het hogere segment gebouwd.

We hebben jarenlang gestuurd op kamergrootte van woningen en hoe de nieuwbouw eruit ziet, maar niet op doelgroep of prijs. Wat ik belangrijk vind, is dat we de afgelopen jaren een beweging hebben gemaakt. We hebben gezegd: dit gaat veel te ver, we moeten ook weer sturen op voldoende sociale huur en voldoende betaalbare huur en koop. Dat hebben we gedaan in beleid, maar ook in projecten. En dat kun je ook echt zien. In de nieuwe wijken die we hebben gemaakt zat eerst nauwelijks sociale huur. Dat is gegroeid van 7 naar 15 procent en we zijn nu bezig om naar 30 procent te komen.’  

Hein de Haan

is sinds 2019 namens de PvdA wethouder wonen, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, gebiedsontwikkeling, grondbedrijf en vastgoed in Leeuwarden. Daarnaast is hij woordvoerder wonen van de VNG-commissie Ruimte, Wonen en Mobiliteit en duo-lijsttrekker van GroenLinks-PvdA in de gemeente.

U hebt ook een rol in de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, in de commissie ruimte, mobiliteit en wonen. U kijkt dus verder dan uw eigen gemeente?

‘De VNG is voor alle gemeenten wat de Woonbond is voor de huurders. Het is een koepelorganisatie die ook lobbywerk verricht en gesprekspartner is van de Rijksoverheid voor de belangen van de gemeenten. Zoals de Woonbond bij huurders en Aedes bij de corporaties. Ik ben de woordvoerder wonen in de commissie die gaat over het fysieke domein. Dus toen het ging over de woontopafspraken en over de Wet regie, heb ik namens de VNG gesprekken gevoerd met het Rijk. In die rol is het mijn taak om te bekijken hoe de belangen van de gemeenten zich verhouden tot die van de wetgever in Den Haag.’

Schuren de belangen van de gemeenten en die van de landelijke politiek?

‘Jazeker. En omdat het schuurt heb je de VNG ook nodig. De gemeenten zijn samen slechts een van de belangenpartijen. Het Rijk maakt beleid en spreekt daarvoor met de VNG en bijvoorbeeld de Woonbond, maar ook met projectontwikkelaars en vastgoedbelangenclubs. Die laatste hebben echt een hele andere agenda.

Wat wij zien is dat de gemeenten vaak veel makkelijker overeen komen met de Woonbond en met Aedes, dan met particuliere ontwikkelende partijen. Die kijken veel meer naar het financiële plaatje: wat levert het op? Wij hebben als gemeenten heel veel gehad aan Aedes en aan de Woonbond. Dat zijn voor ons belangrijke bondgenoten.’

Komt dat doordat gemeenten direct contact hebben met de mensen die ze vertegenwoordigen?

‘In Den Haag maken ze wetten die anderen uitvoeren. Als er iets misgaat, dan worden ze daar niet een-op-een mee geconfronteerd. Maar gaat er hier in de gemeente iets mis, dan staan de mensen met wie het misgaat meteen voor je neus. Daarom vind ik de gemeente de belangrijkste, maar ook de mooiste overheidslaag. Omdat je het dichtst bij de mensen staat in de samenleving.’

De gemeente is de mooiste overheidslaag, omdat je het dichtst bij de mensen staat in de samenleving

Iedereen is het er wel over eens dat er een woningcrisis heerst, maar een echte oplossing is nog niet in zicht. Ligt de sleutel tot die oplossing in Den Haag of bij de gemeenten?

‘De oplossing ligt in het hele stelsel. Wij kunnen niet bouwen zonder goede aannemers en ontwikkelaars. Je hebt goede woningen nodig die kunnen worden gebouwd. Er is juiste wetgeving nodig. De gemeente moet de bestemmingsplannen maken, maar ook het lokale beleid waar de corporaties op moeten intekenen.

Dus je hebt het hele systeem nodig en dat moet functioneren. En dat systeem loopt vast. Den Haag is daarvoor cruciaal. Den Haag kan met de Wet regie helpen, een instrumentarium geven, maar wij moeten het uitvoerende deel doen. Afspraken maken met corporaties en met de Woonbond. Maar ook bijvoorbeeld verkeerde verhuurders aanpakken, dat is ook iets wat de gemeente kan doen. Een foute huisbaas moet tegen de gemeente aanlopen.’

Hoe belangrijk is de stem van de kiezer tijdens de gemeenteraadsverkiezingen voor het oplossen van de wooncrisis?

‘Gelukkig wordt ons woningbouwbeleid in Leeuwarden met ruime meerderheden aangenomen. We hebben een hele pluriforme raad van Forum tot de VVD tot GroenLinks-PvdA en lokale partijen; het gaat over het algemeen met grote, brede meerderheden.

Ik vind het vooral belangrijk dat gemeenten het instrumentarium wat ze ter beschikking hebben ook durven en willen inzetten. We moeten echt beleidsswitches maken. Dan kun je lokaal verschil maken. Daarvoor maakt het wel uit in welke mate je bereid bent om die rol op te pakken. Vind je dat de gemeente een grote verantwoordelijkheid heeft, en dus ook actieve rol moet spelen in die woningmarkt? Dan kun je daar met je stem voor kiezen. En als je vindt dat het vooral een marktaangelegenheid is, dat de gemeente eigenlijk het minimale moet doen, zijn er ook partijen waarop je kunt stemmen. Dus daar zit wel verschil in, maar over het algemeen zijn de politieke tegenstellingen op gemeentelijk niveau veel kleiner dan in Den Haag. En dat is volgens mij een hele goede zaak.’

Een foute huisbaas moet tegen de gemeente aanlopen

We hebben net een nieuw kabinet. Voor u de zoveelste regeringswissel. Hoeveel verschil maakt het voor een wethouder wie er in Den Haag aan het stuur zit?

‘Ik begon met Kajsa Ollongren, toen Hugo de Jonge, daarna Mona Keijzer en nu weer een nieuwe minister. Ik ben heel benieuwd. Het is in de Haagse politiek best onrustig geweest, maar de plannen voor wonen en volkshuisvestiging zijn de afgelopen jaren misschien wel het meest stabiel van alle plannen geweest. Ik denk dat dat ook nodig is. De grote maatschappelijke huisvestingsopgave die we hebben vraagt om langetermijndoelstellingen, dus het is fijn dat het een beetje stabiel blijft.

Het belangrijkst is denk ik, als je de wooncrisis wil oplossen, dat de corporatiesector financieel in staat wordt gesteld om te leveren. Dat zou mijn grootste oproep aan Den Haag zijn: zorg dat de corporaties investeringscapaciteit krijgen. Als je echt vindt dat die 30 procent sociale nieuwbouw moet worden gehaald, dan moet er iets worden gedaan aan de investeringscapaciteit van corporaties.’

Leeuwarden haalt zelf de norm van 30 procent sociale huur in de nieuwbouwprojecten nog niet. Hoe komt dat?

‘Vastgoed is een heel traag product, en ook een kapitaalintensief product. Je kunt de schuif niet zomaar omzetten, ook al zou je dat best willen. We hebben bijvoorbeeld een plan voor de grondverkoop voor een nieuwbouwproject van 6.000 woningen, waarbij we hebben ingezet op 15 procent sociale woningen. Voor sociale huurwoningen subsidiëren we ongeveer de helft van de kavelprijs. Als we in één keer naar 30 procent sociale huur gaan, dan krijgen we de grondexploitatie niet meer sluitend, dat kunnen we gewoon niet doen.

In Den Haag beseffen ze dat niet altijd. Daar wordt gedacht: we hebben een wet waarin staat dat het 30 procent moet worden, nu is het opgelost. Maar dat moet allemaal omgezet worden naar lokaal beleid. Wij kunnen niet een plan waar we al vijf jaar of langer mee bezig zijn in één keer omgooien. We hebben met verschillende partijen, corporaties en ontwikkelaars, afspraken lopen. Die kun je niet achteraf eenzijdig veranderen, dat kost tijd.’

Gemeenten moeten volgens de Regiewet die eraan zit te komen, meer met elkaar gaan samenwerken in de regio. Hoe verloopt het opzetten van die samenwerking?

‘Dat is nu van de grond aan het komen, maar het is pionieren. De provincie heeft een nieuwe rol gekregen. Dat vind ik in de basis goed. Ik vind het ook goed dat we in regionaal verband afspraken maken, ik vind dat we allemaal ons steentje moeten bijdragen. Maar het is wel zo, en dat geldt voor meer plekken in het land, dat de ene gemeente in de regio de opgave heel anders oppakt dan andere. Sommige gemeenten hebben de afgelopen jaren minder ingezet op bijbouwen en die komt het wel makkelijk uit dat er nu meer naar de regio wordt gekeken.

We hebben met de VNG wel een aanpassing van de Regiewet voorgesteld, om de lokale vraag leidend te maken. Er wordt nu gezegd dat het aandeel sociale huur landelijk naar 30 procent moet, maar in sommige delen van het land is er helemaal niet zoveel vraag. In sommige delen van het land kunnen veel mensen vrij goedkoop een koophuis bereiken. Dan is het de vraag of je op die plekken ook die 30 procent moet afdwingen. In andere regio’s is die 30 procent juist weer te weinig: in de grote steden en delen van Zuid-Holland is het percentage sociale huur al hoger, maar blijft de druk op de sociale voorraad gigantisch.’

Om de wooncrisis op te lossen, moet de corporatiesector financieel in staat worden gesteld om te leveren

Het nieuwe regionale overleg vraagt ook om een nieuwe vorm van inspraak voor huurdersorganisaties. Lukt het om hen bij de regionale samenwerking te betrekken?

‘Wij zijn als gemeenten al langer gewend om prestatieafspraken te maken in een driehoek, met de corporaties en de huurdersorganisaties. Ik vind het ook logisch dat je huurders op regelmatige basis laat meepraten. Het is natuurlijk wel zoeken hoe je dat goed invult in het regionale overleg. In de grotere regio gaat het om veel huurdersorganisaties, en meer overleg zorgt ook voor meer druk op die huurdersorganisaties.

We hebben hier in Friesland nu een governance-structuur opgetuigd, waarin we brede gesprekken voeren met de hele woonketen. Dat hebben we nu één of twee keer gedaan. Het heeft tijd nodig voor dat goed werkt.’

Het vorige kabinet heeft ook in de regiewet opgenomen dat statushouders geen voorrang meer mogen krijgen op een woning. Het is nog te bezien of dat overeind blijft, maar hoe ga je daar als wethouder mee om?

‘Vanuit humaan oogpunt vind ik dat we allemaal moeten zorgen dat mensen die in Nederland zijn en een verblijfsstatus hebben, gebruik kunnen maken van hun recht op huisvesting. Je moet gewoon zorgen dat zij ergens kunnen wonen. Dat hadden we al lang moeten doen, dan hadden we ook

geen asielcrisis gehad. De problemen in de asielketen zijn door de regering zelf georganiseerd, omdat we gewoon niet in staat zijn gesteld om fatsoenlijk opvang te organiseren. Daardoor lijkt het een crisis en is het ook nog hartstikke duur.

Als het Rijk de gemeenten de verantwoordelijkheid geeft om statushouders te huisvesten, maar we mogen die huisvesting niet organiseren zoals we dat zelf willen, zou ik eigenlijk willen zeggen: dan geven we die taak terug en moet het Rijk het zelf maar uitzoeken. Maar omdat het om zo’n precaire humanitaire situatie gaat, durf ik dat niet goed te doen. Je wordt zo gegijzeld door je eigen morele kompas, en dat maakt me boos. Als het Rijk vindt dat er minder migratie moet komen: prima, maar de mensen die er al zijn moeten we gewoon opvangen.’

De migranten die er al zijn, moeten we gewoon opvangen

Hoe kijk je naar de toekomst? Komt het ooit nog goed met de volkshuisvesting?

‘Ik ben heel erg bezig met hoe we die woningbouwopgave aan de praat kunnen krijgen. Het is best taai, want er zijn veel randvoorwaarden die ons belemmeren. We stapelen enorm veel ambities op elkaar. Als je dat allemaal achter elkaar aanzet, dan kom je er bijna niet meer uit.

Mijn taak, als ik dit werk mag blijven doen, is om de problemen glad te strijken. We moeten goed samenwerken om plannen te maken waarmee we vooruit kunnen, niet voor 10 maar voor 100 jaar. We hebben in het verleden laten zien dat we het kunnen, maar we moeten er wel met elkaar uitkomen. De grote issues die we hebben, stikstof, netcongestie, procedures en investeringscapaciteit, daar moeten we knopen over doorhakken. Ik mis soms het grotere perspectief; als je dat weet te schetsen met een beetje verbeeldingskracht, dan kun je mensen ook meenemen in het oplossen van die problemen. En dan kunnen we eruit komen, dat geloof ik echt.’

Enkele dagen na het interviewgesprek kreeg de wethouder slecht nieuws. Hij is ernstig ziek, en heeft zijn werkzaamheden tijdens zijn behandeling tijdelijk neergelegd. De behandeling is gericht op volledig herstel. De Haan hoopt zijn werkzaamheden na zijn herstel weer op te pakken. We wensen hem en zijn familie veel sterkte in deze moeilijke tijd en hopen op een spoedig herstel.

Dit artikel is verschenen in Huurpeil, vakblad voor de huursector, editie 1 van 2026.