Meteen naar de content

Melissa Koutouzis: ‘Huurders hebben heel veel te winnen’

Huurpeil Melissa Koutouzis was een van de organisatoren van het eerste landelijke woonprotest. Vijf jaar later is de wooncrisis verre van opgelost en gaat de coalitie Woonopstand opnieuw de straat op. ‘De enige reden dat ik nu in een sociale huurwoning zit, is omdat ik ben gaan samenwonen, niet omdat ik aan de beurt was.’
Woonactivist Melissa Koutouzis
Woonactivist Melissa Koutouzis: ‘Zonder woonprotesten was wonen minder een politiek onderwerp geweest’

Vanaf haar 18e woonde ze in dure woningen, onveilige huizen, kraakpanden, onderhuur, ‘flex’. Vaak in het centrum van Amsterdam maar ook op plekken ver van de binnenstad – alles tijdelijk. Pas op haar 26e had ze haar eerste woning met vast huurcontract. Na een relatiebreuk volgden nieuwe tijdelijke woningen, tot ze op haar 36e introk bij haar partner in een sociale huurwoning. ‘Ik ben wel dertig keer verhuisd binnen Amsterdam’, zegt woonactivist Melissa Koutouzis. ‘Voor mij was dat de norm. Dat je nergens helemaal kan settelen, en dat je op een gegeven moment alweer weg moet.’

Maar norm of niet, ze werd het wel zat om geen eigen woning te kunnen vinden. De onvrede van haar en vele anderen over het beleid dat tot de wooncrisis geleid had, mondde uit in het eerste grote woonprotest. Op 12 september 2021 in het Westerpark in Amsterdam kregen Koutouzis en haar mede-organisatoren van de woonbeweging Woonopstand duizenden demonstranten op de been om actie te voerden voor meer en betaalbaardere huisvesting. Er volgden woonprotesten in Rotterdam en Den Haag en vele kleinere demonstraties in verschillende steden – met de recentste afgelopen maart in Utrecht en Amsterdam tijdens de gemeenteraadsverkiezingen.

Nu, vijf jaar later, moet het nog steeds heel veel beter worden voor woningzoekenden en huurders. Koutouzis: ‘De tien actiepunten die we vijf jaar geleden opstelden in het Woonmanifest staan allemaal nog.’

Hoe kwam het zo dat jullie in 2021 gingen protesteren?

‘Ik had net een jaar in Berlijn gewoond, in een kamer voor driehonderd euro per maand: de eerste goedkope huur in mijn leven! Daar was ik ook in aanraking gekomen met de onteigeningsbeweging. Bij alle protesten en feestjes waar ik heen ging, verzamelden mensen handtekeningen voor een referendum om een groot deel van de vele dure huurwoningen terug te brengen in publieke handen.

Het referendum werd gewonnen, al is daar niet veel mee gebeurd. Maar het heeft wel heel veel mensen gemobiliseerd en het onderwerp hoog op de agenda gezet. Dat was heel inspirerend. De traditionele sociale huurprijs onder de 450 euro bestond daar gewoon nog. En het lukte om mensen te mobiliseren op grote schaal op een best wel radicaal onderwerp, want onteigenen is in Nederland nog altijd taboe. Hier is het normaal om basisvoorzieningen zoals zorg en huisvesting te privatiseren, en ‘radicaal’ om dat te willen terugbrengen in publieke handen als dat voor enorme prijsstijging heeft gezorgd.

Volkshuisvesting is steeds meer een soort crisismaatregel geworden

Terug in Amsterdam zat ik weer in tijdelijke onderhuur in een loft in the middle of nowhere op een industrieterrein. Toen werd ik gebeld door Sander van der Kraan, een Rotterdammer, die zich afvroeg waarom er eigenlijk nog geen woonprotest was. Hij zei: “We zijn zo bezig met het klimaat en allerlei andere onderwerpen. Maar ondertussen zijn we allemaal half dakloos of kunnen we de huur niet betalen.” Toen hebben we als brede coalitie, de landelijke woonbeweging Woonopstand, samen het woonprotest georganiseerd.’

Met succes: er kwamen duizenden mensen naar het Westerpark!

‘Ja, op de een of andere manier hadden we een momentum te pakken, waardoor er aandacht voor kwam, die ook wel een paar maanden bleef.’

Melissa Koutouzis

is sinds 2021 mede-initiatiefnemer van vele woonprotesten en was ook daarvoor actief in de kraak- en huurdersbeweging. Ze is algemeen bestuurslid van vereniging Huurders Netwerk Amsterdam. En werkt als communicatieadviseur bij het Transnational Institute, een organisatie die strijdt voor democratische waarden. Koutouzis helpt de coalitie Woonopstand op de achtergrond mee bij de organisatie van het volgende woonprotest op 10 oktober.

Wat heeft het opgeleverd?

‘Zonder woonprotesten was wonen minder een politiek onderwerp geweest. En er kwamen beleidsveranderingen: de Wet betaalbare huur, de opkoopbescherming, minder flexcontracten, de verhuurderheffing is afgeschaft – dat was wel de belangrijkste. Maar veel wordt nu weer teruggedraaid. Omdat dit kabinet enkel luistert naar de belangen en lobby van particuliere verhuurders en opnieuw huurders en woningzoekenden negeert. Deprimerend, en schandalig.

Maar het zit er nu wel meer in om te gaan protesteren voor een betaalbaar huis. Op 10 oktober, Wereld Dakloze Mensen Dag, is het volgende woonprotest. Ik hoop dat iedereen die dit leest komt en mee mobiliseert!’

Waarom werd juist jij gebeld om het woonprotest te organiseren?

‘Ik was al langer bezig met de wooncrisis. Ik sprak mensen in het veld, voor mezelf, om het beter te snappen. Hoe is de wooncrisis ontstaan? Hoe zit het met de corporaties? En met de particuliere verhuurders? Wat doet de overheid wel en wat niet? Dus ik kende veel mensen. En ik was al langer betrokken bij acties tegen woningnood in Amsterdam. Dat begon toen ik op mijn 19e ging kraken omdat ik nergens een woning kon vinden terwijl ik studeerde. In de kraakbeweging zag ik hoe je omgaat met overleven in een veel te dure stad. En hoe je aan een woning komt als je nergens formeel welkom bent. Daarna voerde ik met de groep FAIRcity actie tegen de verkoop van sociale benedenverdiepingen. Dat is nu actiegroep Niet Te Koop geworden, die staat nog steeds elk weekend voor een corporatiewoning die wordt verkocht.

We gingen ook panden besmet verklaren die hotels zouden worden. En toen kwam de UvA-bezetting: allemaal UvA-panden werden verkocht, het Bungehuis dat opeens het SoHo House werd. Daar hebben we ook tegen gestreden. Het ging in elkaar over, de vercommercialisering van de stad – wel hotels, geen woningen – en de verkoop van sociale huurwoningen.’

Zijn de redenen om te gaan protesteren nu dezelfde?

‘In 2021 hebben we het Woonmanifest gemaakt: tien punten waarvan wij vinden dat het de grootste problemen en oplossingen zijn voor de wooncrisis. Die punten staan allemaal nog. Op één staat: dakloosheid een prioriteit maken. Als je het recht op wonen serieus neemt, dan is dakloosheid de grootste schending van dat recht. Hoe voorkom je dat mensen dakloos worden? Onder andere door te zorgen dat er genoeg betaalbare sociale huur is en goede opvang. Dat is er niet.

De inkomensafhankelijke huurverhoging is een behoorlijk discriminerende maatregel

Nog een belangrijk punt: zorgen voor goede en toegankelijke volkshuisvesting voor een bredere doelgroep. Dus voor de lagere inkomens maar ook voor de middeninkomens: de inkomensgrens voor sociale huur mag weer omhoog. Dat kan je nu alleen niet doen omdat we al te weinig woningen hebben. In Amsterdam krijgen per jaar nog tweehonderd mensen die geen urgentieverklaring hebben een sociale huurwoning, en verder alleen de ergste gevallen. Volkshuisvesting is steeds meer een soort crisismaatregel geworden in plaats van de norm.

Flink investeren in volkshuisvesting is ook een punt. Op een manier waarop het subsidiegeld niet verdwijnt naar speculanten, in de grond die veel te duur is, in rendementen van ontwikkelaars, verhuurders, banken, makelaars en iedereen die er wat aan wil verdienen. En zo kan ik nog wel even doorgaan.’

Gaat een nieuwe demonstratie die dingen veranderen?

‘Ik hoop dat we echt weer geluid maken op 10 oktober. Het woondebat is nu gekaapt door het kapitaal, door de verhuurders. Vergeleken met andere bewegingen zou je kunnen stellen dat de woonbeweging nog altijd in de kinderschoenen staat. Tussen de jaren 80 en nu is er te lang niet georganiseerd. We hebben dus nog veel te winnen. Ik ben benieuwd waar het over tien, twintig jaar kan zijn: hopelijk met veel meer collectieve kracht.’

Je bent ook bestuurslid bij het Huurders Netwerk Amsterdam. Wat is dat voor netwerk?

‘We willen een duurzame huurdersbeweging opbouwen. We krijgen wat geld van de gemeente om de stem van huurders te laten horen en het met de gemeente en wethouders te hebben over huurdersproblematiek. Bijvoorbeeld de regels voor goed verhuurderschap, de prestatieafspraken, de samenwerkingsafspraken met corporaties: worden die in de praktijk gehandhaafd? En hoe zit het met echte zeggenschap? Er is heel veel te doen in de huurderswereld.

Ook in het vergroten en verjongen van het ledenbestand. Dat geldt voor bijna alle huurdersorganisaties, huurdersverenigingen of wooninstituten. Inclusief de Woonbond. Ten eerste zitten daar lang niet altijd huurders, wat een beetje gek is, en het zijn veel oude witte mannen. Maar huurders zijn ook jonge mensen, migranten, ongedocumenteerde mensen, studenten, flexwerkers. Er zit van alles tussen. Om die allemaal te verenigen is een uitdaging.’

Maar in Amsterdam bestaat toch al de Federatie Amsterdamse Huurderskoepels?

‘HNA is een vereniging, maar we zijn ook een netwerk. Dat betekent dat we naast iedereen staan, niet concurreren. We horen ook niet bij één corporatie of één verhuurder. We zijn zowel voor sociale huurders als voor particuliere huurders als voor woningzoekenden. Het grootste onderscheid is dat we geheel onafhankelijk zijn van wat voor partij dan ook. Misschien hebben we ook, omdat we nieuw zijn, een andere stijl, iets minder institutioneel.

We proberen bijvoorbeeld de prestatieafspraken wat open te breken. Die worden nu bepaald door de wethouder, de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties en de Federatie Amsterdamse Huurderskoepels. Daar komt bijna niemand tussen, dus daar is ruimte voor democratisering. De FAH zet zich vol in voor de huurders. Ze moeten ook als vrijwilligers tegen dat enorme apparaat van de gemeente en de corporaties opboksen. Het is belangrijk te kijken hoe de vertegenwoordiging van huurders verder kan worden versterkt en verbreed. Want de machtsongelijkheid tussen die drie partijen is gigantisch. Niet iedereen herkent of erkent dat. Wij proberen dat zichtbaar te maken: hoe we wonen in Amsterdam en dat organiseren is heel ongelijk. Wie er wel aan tafel komt en wie niet. En daarom gaan er meer dingen mis dan zou hoeven.’

Wat is er zo ongelijk aan hoe we wonen?

‘Op allerlei manieren is wonen ongelijk. Dat huurders hogere woonlasten hebben dan kopers is elk jaar weer nieuws. In Amsterdam misschien nog meer dan op andere plekken, met de woz-waarde die meespeelt in de huurprijs: de locatie zorgt voor hele dure woningen. En juist dat wil de nieuwe woonminister weer zwaarder laten meewegen, zodat verhuurders opnieuw hogere huren mogen vragen. Ook komen de kosten van de nieuwbouwopgave grotendeels bij huurders terecht, terwijl van kopers nauwelijks een bijdrage wordt gevraagd. Zij profiteren van hypotheekrenteaftrek en zien hun woonlasten vaak dalen. De verantwoordelijkheid voor voldoende betaalbare woningen – een basisvoorwaarde voor een goed functionerende samenleving – blijkt zo bijna enkel bij huurders te liggen.

Of neem zoiets als de inkomensafhankelijke huur. Dat vindt iedereen maar normaal. Ik vind het een behoorlijk discriminerende maatregel, waarmee je zegt: als huurder mag je niet meer sparen en moet je voor dezelfde woning steeds meer betalen. Maar ondertussen worden we wel allemaal gepusht om door te stromen. Bovendien is het onzorgvuldig en kortzichtig. Er wordt gekeken naar je recente inkomen maar niet naar andere kosten of schulden. Ben je net iets meer gaan verdienen, dan moet dat direct naar de verhuurder worden afgedragen, terwijl je nu eindelijk je studieschuld sneller kon afbetalen.

De politieke representatie is ook ongelijk. Hoeveel van onze volksvertegenwoordigers in de Kamer zijn huurder en hoeveel zijn eigenaar van een koophuis? Wat voor invloed heeft dat op de manier waarop huurbeleid wordt bepaald? Onze huidige woonminister had geen idee hoe duur een middenhuurwoning is, maar ze wil wel opnieuw hogere huren mogelijk maken.’

Wat is je eigen ervaring als huurder?

‘Het is een gedoe geweest om onze woning te krijgen zoals die nu is. Er waren ontzettend veel lekkages en schimmel. Na een oordeel van de Huurcommissie kregen we tijdelijk huurverlaging. Maar we wilden van die schimmel af! Dat heeft vier jaar geduurd. Je moet er telkens achteraan, ik weet niet hoeveel mails sturen. Het is een dagtaak. Bij de gemeente krijg je dan soms de houding dat je geluk hebt met je sociale huurwoning. Ze hebben geen idee wat een strijd het kan zijn om huurder te zijn. Je wordt elke dag wakker in die schimmel, gaat erin slapen, je kan het niet ontvluchten. Het neemt heel veel mentale ruimte in.

Binnen de lijntjes kleuren en jarenlang polderen heeft weinig opgeleverd

Onlangs liet de corporatie een onderzoek uitvoeren naar onze woning. Toen we het rapport wilden inzien kregen we te horen dat ze ‘een technisch rapport in principe nooit met huurders delen’. Onzin: we hebben daar gewoon recht op. Pas na veel aandringen en met hulp van Stichting !WOON kregen we het te zien. Dat rapport is het bewijs dat er mankementen zijn, dat we geen schimmel hebben omdat wij te lang douchen of andere smoesjes, maar door problemen in het gebouw, waar zij iets aan moeten doen.’

Er is dus nog genoeg te doen.

‘We hebben niets te verliezen en ontzettend veel te winnen. Daar moeten we samen voor blijven vechten. En dat mag van mij nog wel wat meer escaleren, ook bij de Woonbond. Binnen de lijntjes kleuren en jarenlang polderen heeft weinig opgeleverd. Willen we ons woonrecht behalen en de machtsverhoudingen veranderen, dan moeten we met z’n allen meer lef tonen.’