Column: Honderd jaar

Jos van der Lans
Jos van der Lans

Honderd jaar

Vanaf halverwege de Eerste Wereldoorlog zijn er in Nederland vele honderden woningcorporaties opgericht. Van een kleine 400 corporaties voor 1914 explodeerde het aantal vanaf 1916 tot zo’n 1400 in 1922. Gedurende een paar jaar meldden zich elke week een handvol corporaties in Den Haag om officieel erkend te worden als toegelaten instelling. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was vanwege een enorme schaarste aan materiaal de woningproductie zo goed als stil gevallen. De bouwkosten waren in de oorlogsjaren wel vier keer over de kop gegaan. Om deze vastgelopen woningproductie vlot te trekken was de regering met een financieringsregeling over de brug gekomen, waarin het verschil tussen de stichtingskosten van 1914 en de reële kosten grotendeels werd bijgelegd door het Rijk.

Een zeer aantrekkelijke regeling, maar alleen opengesteld voor bouwverenigingen die officieel waren toegelaten. Dat leidde dus tot een enorme oprichtingsgolf van woningbouwverenigingen. Overal in het land verzamelden zich protestantse, katholieke en socialistische arbeiders in achterzaaltjes om een vereniging op te richten die voor de achterban woningen wilde gaan bouwen. Het leverde een tot dan niet eerder vertoonde piek in de uitgaven voor volkshuisvesting op, tot bijna 200 miljoen in 1922, in die dagen een onvoorstelbaar hoog bedrag.

Dat is bepaald geen weggegooid geld gebleken. Amsterdam dankt er de complexen van de Amsterdamse school aan. Overal in het land vind je sporen van deze sociale woningbouwexplosie, niet zelden zijn het kleine arbeiderspaleisjes waarvoor een ambitieuze generatie van geëngageerde architecten vrijwel alles uit de kast haalde. Het gaf de stoot tot een rijke traditie. Er is geen land ter wereld met zoveel sociale woningbouw, van zulke hoge kwaliteit. Nederland kent geen suburbs, al helemaal geen getto’s en wat wij hier achterstandswijken noemen werkt bij buitenlandse experts vaak op de lachspieren. 

Inmiddels leven we precies honderd jaar later. Dus zou je verwachten dat er elke week wel ergens in het land een feestje wordt gevierd om stil te staan bij het honderdjarig bestaan, compleet met een fraaie tentoonstelling en trotse jubileumboeken. Vreemd genoeg zie ik daar weinig van. Het aantal eeuwfeestjes staat in ieder geval in geen verhouding tot het aantal oprichtingen honderd jaar geleden. Je zou kunnen denken dat een aantal van die verenigingen de honderd jaar wel niet overleefd zullen hebben. Die vlieger gaat echter voor de meeste woningbouwverenigingen niet op. Die zijn na hun oprichting immers huizen gaan bouwen en die hebben de neiging om overeind te blijven, ook al gaat de oorspronkelijke vereniging samen met een andere vereniging en fuseert ze daarop nog vijf keer. Dan blijven die eerste verenigingsstatuten toch altijd het begin.  

Er is derhalve iets anders aan de hand. Iets veel verontrustender. Iets wat je eigenlijk al meteen kan zien als je een website van een woningcorporatie bezoekt. Daar word je gevraagd of je een woning ‘zoekt’, of een woning ‘huurt’, of een reparatie wil aanmelden. Je wordt louter aangesproken als klant en naar het juiste loket geleid. Misschien vind je nog ergens op de site een missie van de corporatie (na enig zoeken), maar van de geschiedenis, laat staan van een zekere trotsheid, vind je – een enkele uitzondering daargelaten – nooit iets terug.

Dat is geen toeval. Ik schrijf nu zo ongeveer vanaf de eeuwwisseling over de volkshuisvesting. Ik kan me nog goed mijn eerste interview herinneren met een dynamische corporatiedirecteur, een ambitieuze man die helemaal in de wolken was van de nieuwe tijd. Het eerste wat hij tegen mij zei was: ‘Prestaties uit het verleden zijn geen garanties voor de toekomst.’ Dat was eind twintigste eeuw een gevleugelde uitdrukking in corporatiekringen, waarmee gezegd werd dat er nieuw elan nodig was, dat er een tijdperk werd afgesloten.

Wat er daarna gebeurde weten we. De geschiedenis werd vergeten en de gevolgen waren groot. Als je niet weet dat je honderd jaar geworden bent, als je je maatschappelijke betekenis niet etaleert en onderhoudt, dan moet je niet vreemd opkijken dat als er bij een aantal corporaties iets ernstig mis gaat de legitimatie van de hele sector flinterdun is en deze bij gevolg weerloos naar de politieke slachtbank wordt geleid. Precies wat de corporatiesector het afgelopen decennium is overkomen. Prestaties uit het verleden zijn namelijk wel degelijk relevant voor de toekomst.    

Jos van der Lans

cultuurpsycholoog en publicist

Dit is een artikel in Huurpeil 2, 2019

Huurpeil

Abonnement Huurpeil

De Woonbond is er voor huurders en hun organisaties!

Word nu lid en profiteer van alle voordelen