De marktwerking voorbij

Jos van der Lans
Jos van der Lans

Misschien ben ik wat bevooroordeeld, maar ik heb het idee dat we een post-neoliberale tijd betreden. Het bedrijfseconomisch denken en het gedachtegoed van het New Public Management zijn hun overtuigingskracht kwijt aan het raken. Het hele project, dat ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw uit de startblokken kwam, lijkt aan het einde van zijn Latijn. We zijn toe aan een andere manier van denken, ordenen en sturen in het publieke domein.

Dat zal overigens nog een hele toer worden. De gevolgen van het neoliberale denken zijn zo diep verankerd dat we ons er eigenlijk niet van bewust zijn. Eén van de axioma’s was bijvoorbeeld dat als je sterke publieke marktpartijen maakt in bijvoorbeeld de zorg of in de volkshuisvesting dat je daar sterke tegenkrachten tegenover moet zetten. Consumentenorganisaties bijvoorbeeld die een rem zetten op de winstmaximalisatie en ervoor zorgen dat de nieuwe publieke ondernemers niet het maatschappelijke spoor bijster zouden raken. Daarom werd er toen de Zorgverzekeringswet werd aangenomen meteen flink wat geld gereserveerd voor sterke patiënten/cliëntenorganisaties als tegenmacht van de zorgverzekeraars en zorgaanbieders. En eerder, toen de woningcorporaties in 1995 verzelfstandigden en allemaal stichtingen werden, was het logisch dat zij bij wet verplicht werden te overleggen met onafhankelijke huurdersorganisaties, waarvoor zij ook de financiële middelen ter beschikking moesten stellen.  

Inmiddels zijn we een kwart eeuw verder en kunnen we moeilijk om de conclusie heen dat deze ‘tegenmachten’ niet erg succesvol zijn geweest. Eigenlijk was het een vreemde opsplitsing, want waarom zouden woningcorporaties niet zelf als een immanente waarde de belangen van huurders kunnen behartigen? Daar waren ze immers uit voortgekomen. Het zat in hun DNA. De oude verenigingen smeten bepaald niet met centen en hun ledenraden waakten erover dat er geen gekke dingen gebeurden.

In de nieuwe situatie werd dat belang ineens buiten de organisatie geplaatst bij huurdersorganisaties, alsof het een externe kwestie was. Het interne bedrijfseconomische belang was het maximaliseren van de opbrengsten; de Huurdersorganisatie was als externe waakhond een hobbel die genomen moest worden. De corporaties spraken ook niet meer over bewoners of huurders, maar over ‘klanten’. En dat doen ze eigenlijk nog steeds: je hoeft maar een willekeurige website van een corporatie aan te klikken of je wordt ondergedompeld in een klantvriendelijk menu: ik zoek een woning, ik wil een reparatie melden, et cetera. Over de geschiedenis van de corporatie, haar maatschappelijke betekenis, zijn visie over betaalbaar wonen of ongelijkheid op de woningmarkt tref je nauwelijks iets aan. Zelfs over de Huurdersorganisatie is met moeite iets te vinden, want die zijn immers onafhankelijk.

Die trend heeft een pervers effect gehad. De verantwoordelijkheid voor het gemeenschappelijke, het collectieve, het onderlinge is langzaam maar zeker uit het professionele corporatiebewustzijn verdreven. De Woningwetwijziging van 2015 is met haar inperking van sociale doelstellingen en beknotting van leefbaarheidsambities wat dat betreft een afronding van een langdurig proces om van woningcorporaties vooral klantenorganisaties voor individuen met een beperkte beurs te maken, die ver weg blijven van zoiets ouderwets als gemeenschapsvorming en samenlevingsopbouw. Dat is inmiddels zelfs verboden terrein geworden.

Huurdersorganisaties hebben deze trend niet kunnen keren. Ze waren weliswaar onafhankelijk, maar in feite totaal afhankelijk van hun moederorganisatie. In alle uitwassen die de corporatiesector heeft getroffen speelden ze hoegenaamd geen rol. Over de grote kapitaalinvesteringen en beslissingen hadden ze niks te zeggen. Wat resteerde was een soort instemmingscollege dat regelmatig met bestuurders aan tafel zat, maar zelden potten kon breken. Dynamisch is het nooit geweest, het gezelschap bestuurders van huurdersorganisaties vergrijst inmiddels in rap tempo. Naar schatting van 7 van de 10 actieve bestuurders is man en ouder dan 65. Van jonge aanwas is nauwelijks sprake.

Het is, kortom, een doodlopende weg, ooit ingeslagen vanuit een gedachtegoed waar we nu de wrange vruchten van plukken. De weg voorwaarts is dat corporaties afscheid nemen van het definiëren van hun huurders als klant, als consument van woondiensten. Daarvoor in de plaats moet een overtuiging komen dat er gewerkt wordt voor bewoners, die met elkaar een zo aangenaam mogelijk woonklimaat creëren en door corporaties uitgedaagd en gefaciliteerd worden om daar daadwerkelijk verantwoordelijkheid voor te nemen. Dat is een heel andere mindset, maar onontkoombaar om zoiets als huurdersbetrokkenheid nieuw leven in te blazen. Dat vraagt een stevige heroriëntatie, maar er is geen andere weg. Nu de marktwerking voorbij is, zullen woningcorporaties en huurdersorganisaties zich opnieuw moeten uitvinden. 

Jos van der Lans

cultuurpsycholoog en publicist

Dit is een artikel in Huurpeil 1, 2020

Huurpeil

Abonnement Huurpeil

De Woonbond is er voor huurders en hun organisaties!

Word nu lid en profiteer van alle voordelen