Third places

Jos van der Lans
Jos van der Lans

In 1989 publiceerde de Amerikaanse stadssocioloog Ray Oldenburg het boek The Great Good Place over het belang van third places - publieke ruimten, die functioneren naast de private ruimte, het thuis (first place) en de ruimte waar mensen werken (second place). Ze vormen de ‘huiskamers van de samenleving’ en de ‘kraamkamers voor gemeenschapsvorming’. Het zijn plekken waar mensen elkaar kunnen treffen en wat kunnen delen, waar ze los kunnen komen van hun individuele private bestaan, maar zich ook niet hoeven te gedragen als werkgevers of werknemers, met alle routines, verplichtingen en hiërarchieën die daarbij horen.

Wie Oldenburgs boek leest, raakt onvermijdelijk van het cruciale belang van publieke plekken overtuigd. Het internettijdperk, waarvan de stadssocioloog de gevolgen in 1989 niet kon overzien, heeft daar opvallend genoeg niets aan af kunnen doen. Weliswaar zorgt het world wide web ervoor dat de grenzen tussen thuis en werk vloeiend zijn geworden. Sterker, sinds de coronapandemie zijn deze grotendeels gaan samenvallen, maar dat heeft tegelijkertijd de behoefte van mensen om elkaar te treffen alleen maar pregnanter gemaakt. In hun eigen woonomgeving werden mensen zich veel bewuster van het belang van hun buurt. De aandrang om buren te helpen was groter dan ooit. Alleen de plekken van waaruit dat in hun directe omgeving georganiseerd zou moeten worden, waren of door de lockdown gesloten of eigenlijk niet of nauwelijks meer aanwezig.

Zeker in stedelijke gebieden zijn publieke plekken namelijk hun vanzelfsprekende belang kwijt geraakt. Ze zijn onderworpen aan de logica van het vastgoed, wat betekent dat ze niet op hun maatschappelijke waarde worden bekeken, maar op basis van hun economische rendement. In dat frame verschijnen ze louter aan de kant van de lasten. Met als gevolg dat woningcorporaties en projectontwikkelaars bij het ontwerpen van nieuwe wooncomplexen het gemeenschappelijke en collectieve in de directe woonomgeving tot een absoluut minimum terugbrengen.

Wonen doe je niet alleen

Dat is niet altijd zo geweest. De geschiedenis van de volkshuisvesting is ooit heel anders begonnen. Mensen, vaak met hetzelfde beroep of religieuze achtergrond, verenigden zich, kregen de status van een woningbouwvereniging waarmee ze geld konden lenen bij de overheid, en begonnen aan het ontwerp van wooncomplexen. Die kregen een gebouwtje in de tuin waar de bewonerscommissie kon vergaderen, de huur kon worden geïncasseerd, het tuingereedschap werd opgeborgen. Zelfs buurthuizen, bibliotheken werden op die manier gerealiseerd. Dat hoorde er – als vanzelfsprekend – bij. Wonen deed je niet alleen, maar met elkaar en daar hoorden gemeenschappelijke ruimten bij.

De moderne tijd, met zijn mix van voortschrijdende individualisering, stevige welvaartsgroei, toenemende mobiliteit en totalitaire commercialisering, heeft aan die collectieve dimensie een eind gemaakt. Het is uit de denkwereld verdwenen van ontwerpers, architecten, beleidsdenkers, politici, woningcorporaties en projectontwikkelaars en vrijwel iedereen die over de centen van het wonen in Nederland waakt. Het is uit het voorstellingsvermogen gesaneerd.

Maar in dezelfde kringen klinken ook klakkeloos pleidooien voor grotere betrokkenheid van bewoners, voor burgerkracht, voor versterking van de lokale democratie. De beleidselites van ons land zouden een groter verantwoordelijkheidsbesef van burgers bij hun directe leefomgeving enorm op prijs stellen. En impliciet vinden ze ook dat bewoners zich te veel als consumenten gedragen, te gemakkelijk een beroep doen op verhuurders of de overheid als er iets mis is en te weinig geneigd zijn om daar zelf verantwoordelijkheid voor te nemen.

Egoïsme oogsten

Misschien moeten zij dan toch een keer de klassieker van Oldenburg erop naslaan. Al was het maar om weer een idee te krijgen dat gemeenschappelijkheid zich niet in het luchtledige afspeelt, maar dat daar een materiële basis aan ten grondslag ligt. Zonder publieke plekken om elkaar te ontmoeten, ervaringen te delen, is gezamenlijkheid een lastige opgave. Als die plekken er niet zijn, als ze ondenkbaar zijn en onmogelijk gemaakt worden, dan mag je niet iets collectiefs verwachten. Sterker, wie systematisch individualisme zaait, zal steeds meer egoïsme oogsten. Het kan geen kwaad om daar eens goed over na te denken, alvorens we de komende tien jaar een miljoen woningen gaan bouwen.

Jos van der Lans

cultuurpsycholoog en publicist

Dit is een artikel in Huurpeil 4, 2021

Huurpeil

Abonnement Huurpeil

De Woonbond is er voor huurders en hun organisaties!

Word nu lid en profiteer van alle voordelen